Rik dicht Gedichten van Rik Sprenkels Optredens Over Rik

herinnering aan de marge

ten slotte ontgin je de lucht, en daarmee
loopt het wel een beetje op zijn einde

nuchter verpacht je de middenberm
alles is verkaveld, niets is zonder baasje
fiscale ruimte zover het oog reikt

we weten het al eeuwen:
de kelders staan als eerste blank
je houdt daar mensen met echte
en schuilnamen, met marktwaarde bovendien

want alles is waar
en wat je vindt mag je houden
en wat je vindt mag je zeggen
en je zegt wat iedereen denkt

je denkt niet aan holland
holland is een gegeven, een jas
die te goed past om uit te trekken

Je stapt de lucht in

Ik vond op zolder een wirwar
van touwen en lussen, genoeg
voor een middelmatig mens
om zichzelf in te verliezen.

Als ik je opneem, zeg je
dat er op de bovenste verdieping
een uitgang is. Ik hoor

hoe je neusophalend de
luchtgaatjes afplakt,
hoe je hijgt dat je nu
echt moet ophangen.

Later tref ik je sterrenloos op het dak.
Je semafoort wild met je armen,
maar de albumhoes van Help!
schreeuwde ook niet echt om hulp.

Je stapt de lucht in. Je bent
verdraaid. Aanvankelijk vertrek je
in vlinderslag naar boven.

Maar het leven is geen tekenfilm.
Ik houd mijn rug recht, terwijl
mijn verbinding met jou
verbreekt op het asfalt.

Prometheus

We kunnen ons niet langer warmen
aan de straatlantaarns. We sluiten
de centrale, komen samen
als stralen in het brandpunt.

We noteren alles op ons netvlies:
hoe de broze atomen sidderen;
hoe, en met welke snelheid,
de echtheid weglekt.

We zijn er gloeiend bij.

Tot de ruis ons overstemt, moeten we
hout sprokkelen en kernachtig zijn en alles
met onze primatenhanden omklemmen.

Wanneer de geigertellers knetteren
zetten we ons schrap.

Au Pair

Ik draag een oneven aantal dienbladen naar buiten.
Ze druipen sarcastisch
dwars door het grint.
Een regenworm boogiewoogiet
onder mijn laarzen.

Er groeien littekens in de tuin
op plaatsen waar ik ooit een steen brak,
of in het raam verdween.

Kortom, genoeg om over naar huis te schrijven.
Maar de vader vindt schrijven niks voor vrouwen.
Als ik voorbij loop, lijmt hij
enveloppen en ongepaste momenten.
Ik weet me met zijn tong geen raad.

’s Avonds verstop ik een
klavertje vier in mijn slip.
Ik wacht tot de kansen keren.

Nachtpicknickers

In de schemering doen wij ons werk.
We dienen de stad op,
vullen de fonteinen met prosecco.
Onze spijzen walmen blauw over het gras.

Er is aan alles gedacht:
Het maanlicht werd overgeheveld in jampotjes,
de vleermuizen zijn weerspannig met touwtjes vastgemaakt.
Nu dansen ze uitbundig boven de vijver.

We vouwen bronzen beelden van de servetten,
schrijven dronken priemgetallen op bierviltjes.
We liefkozen de tafeldames in de struiken.

Slaap zacht, teder schemerpark.
Wij, de luizen in jouw kruin,
houden een oogje in het zeil.


Dit gedicht verscheen in Op Ruwe Planken, nummer 15.1

Vergeten groente

Het pluizige brood, waar de kat
sinds een paar dagen niet meer
aan ruikt, ligt nog steeds
op de hoek van de tafel.

Eerst trok de rook weg.
Hij ging liggen in de hoekjes,
tussen kamerplanten en
stilstaande klokken.

Daarna verdwenen ook de
geuren en kleuren van
pastinaak op dinsdagavond
thee om vier uur
geleisuiker in de jam
geleidelijk in het hoogpolig tapijt.

Soms belt er iemand aan.
De kat krabt dan een poos
rusteloos aan de deur.
Ze kan alleen nog onbeantwoord

kopjes geven, onbestraft
potjes breken, in dit
stilleven van gedroogde
bloemen, huid van onbewerkt leer.

De buren zullen schuldbewust
de begrafenis bezoeken
thee om vier uur
geleisuiker in de jam
en zoetjes de kosten en baten
van eenzaamheid verzwijgen.

Vastgoed

We bestellen mets- en makelaars
en kijken door nieuwe ramen
naar onbekende levens, glazen wijn
en katers op de daken,

terwijl de pannen bakken in
de zon. Dan zetten we
koffie en laten alles weer
op zijn beloop.

‘s Nachts horen we de vlonders
kraken. Morgen is in aanbouw.

Het heeft flink gehypotheekt. Hier,
waar overdracht of overgang
de zaken opdoeken, of onverhoopt
vooruitgang boeken. Er hangt nog

wat spanning in de eiken.
Een vooruitbetaalde vrucht, die zich
zal laten gelden met de
eerste herfst.

We schikken ons naar elkaars
vormen. We wachten geduldig af.


Dit gedicht verscheen in Op Ruwe Planken, nummer 16.1

Intercontinentaal

Een wolkenveld spreidt zich uit.
Tomeloos in de warre verte.
Blauw contrapunt de starre hemel.

Een droog suizen klieft in wit akkerspoor,
gloort in de morgenzon, toomt de straalmotoren.

Gekluisterd in een groepscel met bovendruk
bekwaam ik me in kwetsbaarheid.

De koffie rammelt schuimend door het gangpad:
er slaapt hier niemand meer.
Ondanks alles blijf ik rustig.

Er wordt ontbeten: wakkere helden. Ze staren
door patrijspoorten van doorzichtig plastic,
met sterrenstof in mond- en ooghoeken.

Ik maak mezelf de dingen wijs:
beneden wonen brave burgers
die niets van doen hebben met afweergeschut.
De hemelschittering zal ze hoogstens doen glimlachen.

Vliegen is niet meer hetzelfde.


Dit gedicht won in 2016 de Dekker van de Vegt gedichtenwedstrijd.

Heesch

(maandag)

We graven een slotgracht om het dorp,
planten doornstruiken in alle voortuinen,
om honderd jaar achter te schuilen.

Tussen de boerderijen spelen we levend galgje.
We sturen dreigtweets naar vaders van klasgenoten,
die bij de gemeente werken.
We plaatsen een embargo op gezelligheid.

De wereld mag stikken, laat ons.
Laat ons onbedachtzaam inslapen.

(dinsdag)

Prins Porcus van het biggendorp
knorreboert zijn onderdanen plichtmatig toe,
drukt zijn snor in een glas Bavaria.
Daarna komen de knokploegen.

Ze lopen in gelid met de muziek mee,
wanen zich veilig achter hun gasmaskers.

Het is feest. Vrolijk knallen de
vuurwerkbommen en stoeptegels
tegen de ruiten van het gemeentehuis.

Heesch is een dorp van bouwers,
dus alles mag kapot.

(woensdag)

De bomen langs de Schoonstraat dragen rijpe vruchten.
Lege bierblikken: stille windgongen;
serpentine druipt als krulstaarten omlaag.

We keken drie dagen niet om.
(Tijdens de polonaise is geen ruimte voor
evaluaties,
enquêtes,
of andere instrumenten van redelijkheid.)

Nu pas merken we het.
De slotgracht werd
een beerput, er waart
een gierlucht door het dorp.

Aan de hoogste boom
hangt een zeug
in carnavalskostuum.

Geen dweilorkest krijgt deze straten ooit nog schoon.

Ik wil dat je leert drijven

Ik wil dat je leert drijven.

Als je niet leert drijven, verdrink je. Leer het dus maar. Spreid je armen, ontspan je, nee span je aan, laat je gaan, laat je deinen in het oneindige blauw.

Als de golven komen, geef dan mee.

Op een stapeltje langs het zwembad liggen de zwemdiploma’s klaar. Het kind trekt baantjes, de moeder kijkt toe.

Als je niet leert drijven, verdrink je.

De wind maakt golven in de woestijn. De wind maakt golven in de woestijn. Als je je ogen dichtknijpt, lijkt het net water. Maar hier is al maanden geen water meer. De zwemdiploma’s liggen onuitgereikt in het zand.

Als de golven komen, geef dan mee.

De moeder zegt: ze mogen allemaal dood. Allemaal naar de zeebodem. Hadden ze maar zwemles moeten nemen.

Het kind probeert ondanks alles te blijven drijven.

Als je niet leert drijven, verdrink je.

Het water loopt langzaam zijn longen in. Drijven is een mensenrecht. Drijven is een mensenrecht.

De Middellandse Zee wast de woestijn tussen zijn tenen uit. Zijn levenloze armen deinen in het oneindige blauw.

Als je niet leert drijven, verdrink je.

De moeder langs de kant juicht. Haar kind mocht wel leren zwemmen.