Type your search terms above and press return to see the search results.

Prometheus

We kunnen ons niet langer warmen
aan de straatlantaarns. We sluiten
de centrale, komen samen
als stralen in het brandpunt.

We noteren alles op ons netvlies:
hoe de broze atomen sidderen;
hoe, en met welke snelheid,
de echtheid weglekt.

We zijn er gloeiend bij.

Tot de ruis ons overstemt, moeten we
hout sprokkelen en kernachtig zijn en alles
met onze primatenhanden omklemmen.

Wanneer de geigertellers knetteren
zetten we ons schrap.

Au pair

Ik draag een oneven aantal dienbladen naar buiten.
Ze druipen sarcastisch
dwars door het grint.
Een regenworm boogiewoogiet
onder mijn laarzen.

Er groeien littekens in de tuin
op plaatsen waar ik ooit een steen brak,
of in het raam verdween.

Kortom, genoeg om over naar huis te schrijven.
Maar de vader vindt schrijven niks voor vrouwen.
Als ik voorbij loop, lijmt hij
enveloppen en ongepaste momenten.
Ik weet me met zijn tong geen raad.

’s Avonds verstop ik een
klavertje vier in mijn slip.
Ik wacht tot de kansen keren.

Vergeten groente

Het pluizige brood, waar de kat
sinds een paar dagen niet meer
aan ruikt, ligt nog steeds
op de hoek van de tafel.

Eerst trok de rook weg.
Hij ging liggen in de hoekjes,
tussen kamerplanten en
stilstaande klokken.

Daarna verdwenen ook de
geuren en kleuren van
pastinaak op dinsdagavond
        thee om vier uur
        geleisuiker in de jam
geleidelijk in het hoogpolig tapijt.

Soms belt er iemand aan.
De kat krabt dan een poos
rusteloos aan de deur.
Ze kan alleen nog onbeantwoord

kopjes geven, onbestraft
potjes breken, in dit
stilleven van gedroogde
bloemen, huid van onbewerkt leer.

De buren zullen schuldbewust
de begrafenis bezoeken
        thee om vier uur
        geleisuiker in de jam
en zoetjes de kosten en baten
van eenzaamheid verzwijgen.

Vastgoed

We bestellen mets- en makelaars
en kijken door nieuwe ramen
naar onbekende levens, glazen wijn
en katers op de daken,

terwijl de pannen bakken in
de zon. Dan zetten we
koffie en laten alles weer
op zijn beloop.

‘s Nachts horen we de vlonders
kraken. Morgen is in aanbouw.

Het heeft flink gehypotheekt. Hier,
waar overdracht of overgang
de zaken opdoeken, of onverhoopt
vooruitgang boeken. Er hangt nog

wat spanning in de eiken.
Een vooruitbetaalde vrucht, die zich
zal laten gelden met de
eerste herfst.

We schikken ons naar elkaars
vormen. We wachten geduldig af.


Dit gedicht verscheen in Op Ruwe Planken, nummer 16.1

Intercontinentaal

Een wolkenveld spreidt zich uit.
Tomeloos in de warre verte.
Blauw contrapunt de starre hemel.

Een droog suizen klieft in wit akkerspoor,
gloort in de morgenzon, toomt de straalmotoren.

Gekluisterd in een groepscel met bovendruk
bekwaam ik me in kwetsbaarheid.

De koffie rammelt schuimend door het gangpad:
er slaapt hier niemand meer.
Ondanks alles blijf ik rustig.

Er wordt ontbeten: wakkere helden. Ze staren
door patrijspoorten van doorzichtig plastic,
met sterrenstof in mond- en ooghoeken.

Ik maak mezelf de dingen wijs:
beneden wonen brave burgers
die niets van doen hebben met afweergeschut.
De hemelschittering zal ze hoogstens doen glimlachen.

Vliegen is niet meer hetzelfde.


Dit gedicht won in 2016 de Dekker van de Vegt gedichtenwedstrijd.

 

Heesch

(Rosenmontag)

We graven een slotgracht om het dorp,
planten doornstruiken in alle voortuinen,
om honderd jaar achter te schuilen.

Tussen de boerderijen spelen we levend galgje.
We sturen dreigtweets naar vaders van klasgenoten,
die bij de gemeente werken.
We plaatsen een embargo op gezelligheid.

De wereld mag stikken, laat ons.
Laat ons onbedachtzaam inslapen.

 

(Mardi Gras)

Prins Porcus van het biggendorp
knorreboert zijn onderdanen plichtmatig toe,
drukt zijn snor in een glas Bavaria.
Daarna komen de knokploegen.

Ze lopen in gelid met de muziek mee,
wanen zich veilig achter hun gasmaskers.

Het is feest. Vrolijk knallen de
vuurwerkbommen en stoeptegels
tegen de ruiten van het gemeentehuis.

Heesch is een dorp van bouwers,
dus alles mag kapot.

 

(Aswoensdag)

De bomen langs de Schoonstraat dragen rijpe vruchten.
Lege bierblikken: stille windgongen;
serpentine druipt als krulstaarten omlaag.

We keken drie dagen niet om.
(Tijdens de polonaise is geen ruimte voor
evaluaties,
enquêtes,
of andere instrumenten van redelijkheid.)

Nu pas merken we het.
De slotgracht werd
een beerput, er waart
een gierlucht door het dorp.

Aan de hoogste boom
hangt een zeug
in carnavalskostuum.

Geen dweilorkest krijgt deze straten ooit nog schoon.

De nachtpicknickers

In de schemering doen wij ons werk.
We dienen de stad op,
vullen de fonteinen met prosecco.
Onze spijzen walmen blauw over het gras.

Er is aan alles gedacht:
Het maanlicht werd overgeheveld in jampotjes,
de vleermuizen zijn weerspannig met touwtjes vastgemaakt.
Nu dansen ze uitbundig boven de vijver.

We vouwen bronzen beelden van de servetten,
schrijven dronken priemgetallen op bierviltjes.
We liefkozen de tafeldames in de struiken.

Slaap zacht, teder schemerpark.
Wij, de luizen in jouw kruin,
houden een oogje in het zeil.


Dit gedicht verscheen in Op Ruwe Planken, nummer 15.1

Omheining

Een sonnet

En later, als ik groot ben, word ik niks.
Ik zie de advertenties al verschijnen:
Een jongen (28) wil verdwijnen,
het liefst goedkoop: voor een paar limericks.

Goedkoper lijkt het om me te omheinen,
uit zelfbescherming. En mijn vele kicks
vervangen zich geleidelijk door tics.
Voor hondenkoekjes schrijf ik dan kwatrijnen.

Vanuit mijn holle romp weerklinken verzen,
als galmend lachen van een dronken sater,
en ik drink mede, schreeuw als krolse perzen.

Mijn hoofd verdoft als dreunen van een kater
van schaamte, onderhuidse controverse.
Een hek om mijn bestaan was adequater.

De jongen op de brug

Een villanelle

De jongen op de brug had iets goed te maken.
In zijn rechterhand droeg hij een bos met rozen.
Liefde zadelt ons op met de mooiste taken.

Onder zijn voeten horen we de trappers kraken.
Hij trapt stuurloos, met tussenpozen.
De jongen op de brug had iets goed te maken.

Zijn hart lag aan banden, maar al te vaak, en
emoties, die stopte hij ‘t liefste in dozen.
Liefde zadelt ons op met de mooiste taken.

Want wederom liepen de gesprekken spaak, en
nu nog langer zwijgen was uit den boze.
De jongen op de brug had iets goed te maken.

Hij wilde zo dolgraag weer naast haar ontwaken,
om haar, in het ochtendlicht, weer te liefkozen.
Liefde zadelt ons op met de mooiste taken.

Hij fietste met zijn liefde voor haar als een baken.
Zijn hart had voorgoed voor dit meisje gekozen.
De jongen op de brug had iets goed te maken.
Liefde zadelt ons op met de mooiste taken.